H

Dat viel niet mee….een dansbeweging noemen met een h! Ik dacht aan de headspin, maar het lukte me niet om een associatieve verbinding met een filosoof te vinden. Ofschoon veel filosofen teksten schrijven waar je hoofd van gaat tollen

Uiteindelijk kwam ik op Hop of huppel

Een hop of huppel is de eenvoudigste danspas die er bestaat. Het is een sprongetje op één been.  Vaak is het een aanzet tot een grotere pas, bijvoorbeeld bij de polkapas, maar het kan ook een zelfstandige beweging zijn, vaak als onderdeel van een serie passen, zoals de temps levé.

Maar de eenvoudigste vorm is natuurlijk gewoon ‘huppelen’, zoals kinderen vaak, en volwassenen soms doen. In veel speeldansjes voor kinderen wordt gehuppeld. Huppelen is uiting van vreugde en van levenslust.

Huppelen hoort bij het spelende kind en bij de spelende mens. En ja, dat brengt me dan bij Johan Huizinga.

Johan Huizinga was een Nederlands historicus. Hij is de grondlegger van de Nederlandstalige cultuurgeschiedenis. Verder was hij cultuurfilosoof en antropoloog. Hij was zeer geïnteresseerd in kunst.

Het werk waarmee hij het meest bekend is geworden is Herfsttij der Middeleeuwen.

Het boek is een van de grootste en meeslependste klassieke geschiedwerken. Huizinga bestudeerde de middeleeuwen anders dan veel historici voor hem. Hij vertelt geen stoffig verhaal van oorlogen en verdragen, of van landbouw en handel; hij vertelt hoe mensen in de late middeleeuwen met het leven omgingen

Een tweede belangrijk werk van hem is Homo Ludens, en dat betekent ‘de spelende mens’.

(Het woord ‘ludiek’ hoor ik niet vaak meer maar het werd in de jaren zestig veelvuldig gebruikt bij allerlei politieke acties van onder andere de Provo’s in Amsterdam).

Huizinga gaat er van uit dat de spelende mens de fundering vormt van onze cultuur. Het spel ligt ten grondslag aan dagelijkse handelingen, van baan tot ouderschap, van sportclub tot rechtszaak - waar we ons over het algemeen heel serieus op storten. We zien spelelementen dan ook in zeer uiteenlopende cultuurvormen terug. In oorlog bijvoorbeeld, of in het recht. Maar ook in de kunst, de filosofie, of in sport. De spelende mens speelt zijn cultuur. Cultuur komt niet zozeer voor uit spel, maar ontplooit zich in en als spel.

Hij maakte zich echter zorgen over de teloorgang van het spel in de westerse wereld, wat mede wordt veroorzaakt door verzakelijking en technologisering. Wanneer hij naar het ludieke gehalte van de moderne tijd kijkt, blijkt de Homo Ludens een uitstervend ras. En dat vormt een bedreiging. Omdat spel fundamenteel is in (het vormen van) cultuur, is de Homo Ludens een noodzakelijke speler in de samenleving. Zonder Homo Ludens geen cultuur. Zonder Homo Ludens geen (dans)kunst.

In dit kader is het leuk om te vermelden dat de choreograaf Juanjo Arqués zich door Huizinga liet inspireren. Hij  maakte het ballet ‘Homo Ludens’ voor het nationale Ballet. Het ging februari 2017 in première.

 

G

Glide
In 1983 voerde Michael Jackson op de televisie een danspas uit, die zo’n indruk maakte op het publiek dat deze pas op slag wereldberoemd werd. Ik heb het hier uiteraard over de ‘moonwalk’.

Deze beweging heeft in de jaren daarna niet alleen andere dansers geïnspireerd maar ook verschillende dansvormen beïnvloed. In tal van dansshows en -clips wordt gebruik gemaakt van ‘footwork illusions’. In het geval van de moonwalk: het lijkt of de danser voorwaarts gaat, maar hij gaat juist achteruit.
De moonwalk is één van de talloze variaties van de glide, waarbij het gewicht van de éne voet op de andere wordt overgebracht met een glijdende beweging. Een glide kan voorwaarts, zijwaarts en zelfs in een cirkel worden uitgevoerd.
De glide wordt vooral toegepast binnen de hip-hop en jazzdans. Hoewel….ook in de klassieke dans kennen we de glissade, maar dat is toch wel even iets anders.

Garaudy
Roger Garaudy (1913-2012) is bij mijn weten de eerste Europese filosoof die een boek over dans heeft geschreven: ‘Danser sa vie’ (1973), in het Nederlands uitgekomen onder de titel: ‘Leven is dansen’.

Garaudy was in Frankrijk een tijd lang populair, maar omdat hij steeds van inzicht en daarmee ook van (politieke) standpunten veranderde, namen uiteindelijk collega’s en het publiek afstand van hem.
In zijn boek betoogt hij dat in de dans de mens in harmonie komt met de natuur en de kosmos en tevens met zijn medemens. Hij zegt: ‘Dansen is een manier van bestaan’. Tot dan toe hadden nog maar weinig auteurs zo duidelijk gesteld, dat dans begrepen moet worden als een manier van leven die de intensiteit van betrekkingen tussen mens en natuur, de gemeenschap en de goden uitdrukt, maar ook een communicatiemiddel is dat verder gaat dan het letterlijke.

Met en door dans zou het ongrijpbare gegrepen en het onzegbare gezegd kunnen worden.
Het boek werd enthousiast ontvangen door dansliefhebbers en was voorzien van een voorwoord van Maurice Béjart.
Hij beschrijft eerst de geschiedenis van de dans, te beginnen met de plaats van dans in de vroege culturen. Hij stelt dat uiteindelijk na twintig eeuwen christendom, met haar minachting van het lichaam, mede onder invloed van het dualisme, de dans was verstard in het klassiek ballet. Maar sinds het begin van de twintigste eeuw greep de moderne dans weer terug naar wat dans voor alle volkeren en te allen tijden betekende: de uitdrukking van ervaringen, die buiten het bereik van woord en gebaar vallen. Volgens Garaudy zou dans bevorderlijk zijn voor de persoonlijke creativiteit, expressiviteit, sociale betrokkenheid en nodig zijn voor de ontwikkeling van de mens en het kind in het bijzonder.
Hij pleit voor een herwaardering van de dans in theaters en in het onderwijs en hoopt dat door de komst van film en televisie veel meer mensen de waarde van dans zullen ervaren.

Of Garaudy de huidige populaire dansprogramma’s op de televisie en de vele dansclips zou waarderen weten we niet. In ieder geval heeft hij de moonwalk van Michael Jackson vast wel eens gezien.

F

Fouetté

Tja, weer een term uit het klassiek ballet. Een technisch hoogstandje (haha) in het ballet is de fouetté. Hierbij gaat het standbeen steeds op de pointe en weer terug, terwijl het werkbeen zijwaarts gebogen is en met het onderbeen een ronddraaiende, zwiepende beweging wordt gemaakt.

In het beroemde ballet ‘Het Zwanenmeer’ bevat de solo van de zwarte zwaan 32 fouettés, waarbij ook nog op het hele toneel wordt rond gegaan. De rol van de zwarte zwaan wordt door de zelfde ballerina gedanst als degene die de rol van de witte zwanenkoningin vervult en deze rol is uitsluitend voorbehouden aan een ‘prima ballerina’. Dit is een hoge positie in de hiërarchie van de grote balletgezelschappen. De balletwereld is een wereld op zich. Met eigen regels, een eigen taal, keiharde discipline en een, soms onverbiddelijke, machtsstructuur. Onlangs verscheen het boek van Igone de Jong, een sterdanseres van het Nationale Ballet, waarin ze beschrijft hoe onderdrukkend en frustrerend ze de hiërarchie in het gezelschap heeft ervaren.

Foucault

De keuze voor de filosoof lag voor mij voor de hand. Ik volg momenteel een filosofiecursus waarin wij zijn boek ‘Bekentenissen van het vlees’ behandelen.

Michel Foucault (1926 - 1984) was een Franse filosoof. Hij behoorde tot de postmoderne filosofen. De rode draad in zijn werk is de zoektocht naar de ontstaansgeschiedenis van het hedendaags subject ('het zelf '). Hij stelde dat elke cultuur en elke tijd zijn eigen discours heeft om de wereld in te delen en dat daarmee het denken en handelen van individuen wordt bepaald. Een discours is het spreken van de betreffende cultuur, maar ook van subculturen (wetenschap, politiek, kunst) waarmee de werkelijkheid wordt gestructureerd, zowel door de taal als door daarmee samenhangende procedures. Ons denken verandert als de tijden veranderen. Volgens Foucault oefent de discours in een groep macht uit omdat het de geldende waarden en normen bepaalt. Dat macht te maken heeft met disciplinering toont hij aan in zijn boek ‘Discipline, toezicht en straf ' (1975). Structuren en instituties zijn gemaakt om de mens te disciplineren. Ook zogenaamde machthebbers zijn hieraan onderhevig. Mensen volgen bepaalde voorgeschreven regels en maken zich die dusdanig eigen dat er sprake is van zelfdisciplinering.

Foto Michel Foucault

Michel Foucault

 

Dat hiervan sprake is in de balletwereld kan onder meer worden aangetoond door het feit dat veel meisjes in dansopleiding leiden aan anorexia, een zelfopgelegd honger-eetregime om maar vooral aan het beeld van de superslanke ballerina te voldoen.

Gelukkig zien we bij de moderne dansgezelschappen dat met deze ‘perfecte’ norm veel minder rekening wordt gehouden en is er meer diversiteit in vormen en afmetingen van de lichamen van de dansers. Dat betekent waarschijnlijk dat in de hedendaagse discours begrippen als diversiteit en inclusie beginnen door te dringen.

The perfect body

E

Enrosque

Ik gebruik vaak een term uit het academisch ballet. Daar ontkom ik niet aan. De academische dans heeft een heel uitgebreid vocabulaire. Ook nu weer, bij de E dienden zich weer veel termen aan die afkomstig zijn uit deze dansvorm: Entrechat, Echappé, Emboîté……genoeg dus. Maar deze keer kies ik voor een term uit de ballroom dans, of liever de Latijns-Amerikaanse dans: de Enrosque.

Dit is de naam van een danspas die voorkomt in de tango. Enrocar betekent draai of schroef. De danser draait op één been en beweegt hier het andere been omheen.
Het is een kleine, maar ingewikkelde beweging. Een soort versiering van de grote, expansieve bewegingen die de tango kenmerken.
De tango is geen vrolijke dans.
Het is ontstaan in de bordelen van Buenos Aires en Montevideo. Passie, woede, smart en frustratie zijn emoties die in de tango tot uitdrukking worden gebracht. Het geeft in dans vorm aan de passie, maar ook aan het lijden van de mens.

Euripides

Het lijden van de mens staat ook centraal in de tragedies die in het Oude Griekenland (rond 450 v. Chr.) werden geschreven en uitgevoerd. Euripides was één van de belangrijkste tragediedichters uit die tijd.

Meestal waren deze tragedies gebaseerd op mythes, maar ook filosofische vraag stukken, actuele gebeurtenissen en zelfs persoonlijke ervaringen werden in de tragedies verwerkt.
De personages zijn slachtoffers van het noodlot waar zij zelf niets aan kunnen veranderen. Het publiek leeft met de personages mee en ondergaat allerlei emoties, zoals angst, woede en verdriet, waarna tot slot een zuivering of bevrijding volgt (katharsis).

Euripides was tijdens zijn leven niet erg populair, mede doordat hij nogal teruggetrokken leefde, maar ook omdat hij vernieuwingen invoerde ten aanzien van zowel inhoud als vorm (gebruik van metrum en muziek). Maar na zijn dood is dit volledig veranderd: Euripides werd de meest opgevoerde toneelauteur in Griekenland. Hij heeft meer dan 90 werken geschreven, waarvan er 19 bewaard zijn gebleven. Belangrijke werken zijn o.a. Medea, Iphigeneia in Taurus, Trojaanse vrouwen, Elektra. Ook in deze tijd worden tragedies uit die tijd, in moderne bewerking, uitgevoerd. En er worden opera’s en films op gebaseerd. Ikzelf heb een prachtige film ‘Elektra’ gezien, met Irene Papas in de hoofdrol en met muziek van Theodorakis.

In de Griekse tragedies was een belangrijke taak weggelegd voor het ‘koor’. Een koor bestond uit een groep mensen (meestal tussen 10 tot 15) die in liederen commentaar gaven op wat er in de gespeelde scenes gebeurde. Dat kon kritisch zijn, maar ook beschouwend. De koorpassages werden gezongen, maar er werd ook bij gedanst, hoewel dat waarschijnlijk, afgaand op diverse afbeeldingen, op een vrij statische manier gebeurde.

D

Bij de D wist ik meteen welke filosoof ik hier wilde neerzetten: Damasio
António Damásio is een Portugees neuroloog en schrijver die in de VS woont en werkt. Hij is dus eigenlijk niet in eerste instantie een filosoof. Door sommigen wordt hij een ‘neurofilosoof ' genoemd. Hij houdt zich namelijk onder meer bezig met de ontwikkeling van het bewustzijn. Hij verzet zich tegen de nog steeds gangbare opvatting, die door de zeventiende eeuwse denker Descartes is geponeerd, dat onze rationaliteit, de menselijke rede, geen boodschap heeft aan het lichaam en aan emoties. Kortom dat er een scheiding is tussen lichaam en geest. Volgens hem zijn emoties essentieel voor rationeel denken en sociaal gedrag.
Damasio geeft in zijn werk een biologische verklaring voor de werking van het bewustzijn, waarbij sprake is van verschillende vormen van (lager en hoger) bewustzijn. Hij zette zijn theorie uiteen in het boek 'De vergissing van Descartes; gevoel, verstand en het menselijk brein' (1994) dat bij verschijnen nogal wat stof heeft doen opwaaien.

Damasio gaat er van uit dat het bewustzijn voortkomt uit een ingewikkeld proces van zowel lichamelijk/zintuigelijke gewaarwordingen en ervaringen, primaire en secondaire (sociaal gecodeerde) emoties en rationaliteit.

Hij onderscheid verschillende vormen van bewustzijn:

  • het protozelf (men heeft een gevoel van ‘er zijn’)
  • het kernzelf (men is zich bewust van het eigen lichaam en van emoties, maar kan hier nog niet op reflecteren)
  • het autobiografisch zelf (gekoppeld aan het geheugen en reflectie op eigen daden en voorstellingen). Het autobiografische zelf is zeer nauw verweven met de andere vormen van ‘zelf’.

Voor mij als danser is de theorie van Damasio heel plausibel. Het ervaren van de kennis van het lichaam, (je hoeft niet na te denken bij het uitvoeren van passen en figuren), het worden ondergedompeld in een flow of movement, waarbij een soort euforie kan optreden en waarbij het verstand slechts op de achtergrond een rol speelt, zijn voorbeelden van het samenvallen van verschillende bewustzijnsniveaus.

En welke dansbeweging zou hier bij passen?

Développé

‘Développer’ betekent letterlijk ‘ontwikkelen’ en wordt gebruikt om een beweging aan te duiden die zich als het ware ontwikkelt via een aantal posities.
Vanuit een staande positie op twee benen wordt één been opgetrokken met de teen tegen het andere been en dan als het ware uitgevouwd tot het been helemaal gestrekt is. Dit kan naar voren, naar opzij en naar achteren worden gedaan.

Hoewel er geen voorgeschreven tempo is voor deze beweging, wordt hij vaak langzaam (adagio) uitgevoerd. Het vraagt veel kracht van het werkbeen en een stabiel standbeen. In principe is er bij iedere beweging sprake van ‘ontwikkeling’, maar bij deze beweging is dat heel erg (in)voelbaar.

C

Bij de C kwam ik in de problemen. Als dansterm koos ik voor Contraction, maar het vinden van een filosoof met een C, die ik ook nog in relatie kon brengen met die term was moeilijk. In eerste instantie dacht ik aan Cusanus, een laatmiddeleeuwse filosoof. (Ik bracht in de afgelopen jaren in de zomer een week door in het centrum voor filosofie ‘Centre Erasme’ in Zuid Frankrijk en alle kamers in ons slaapverblijf hadden de naam van een filosoof. Ik sliep meestal in de kamer met de naam Cusanus. Vandaar dat ik het eerst aan hem dacht). Maar ik kon geen brug vinden tussen deze laat- Middeleeuwse filosoof en een contraction……
Dat gold ook voor de naam die een vriendin mij noemde: Cicero. Maar van deze Romeinse filosoof wist ik eigenlijk weinig, alleen dat hij zich veel met politiek in zijn tijd had bezig gehouden.
Toch is het me uiteindelijk gelukt een filosoof/schrijver te vinden waarmee die connectie te maken was. Lees maar verder.

Contraction
Is een term die zowel in de moderne dans als in de jazz- en urbandans wordt gehanteerd. Martha Graham een Amerikaanse danseres en choreografe ontwikkelde een heel nieuwe danstechniek waarbij contaction en release een belangrijk element waren.

Bij een contraction worden de spieren van borst, buik en bekken samengetrokken, waardoor het bekken wordt gekanteld en een bolle rug ontstaat. Bij de release wordt de deze spanning losgelaten, waardoor de borst wordt ‘geopend’.
Door de afwisseling van ‘contraction’ en ‘release’ worden de dansbewegingen dramatisch en beladen. Daarmee kunnen allerlei heftige emoties tot uitdrukking worden gebracht

Veel van de choreografieën die Graham maakte zijn geïnspireerd door mythologische of religieuze thema’s en hielden verband met theorieën van Freud (seksuele conflicten) en Jung (collectief onderbewuste). De hoofdpersoon is meestal een tragische heldin: Medea, Elektra, Judith.

Martha Graham

(1894 - 1991; Moderne dans, het begin)

Camus
Filosoof en schrijver Albert Camus gebruikte ook een mythe, in een essay ‘De mythe van Sisyphus ’ (1942), om de kern van zijn filosofie te adstrueren.
Hij was een vriend en tijdgenoot van Jean-Paul Sartre en Simone de Beauvoir. Hij was vooral bezig met wat hij beschouwde als het absurde van het menselijk bestaan. De mens zoekt in de wereld naar antwoorden op zijn vragen, maar de wereld geeft geen antwoord. Op het moment dat de zin van het leven niet meer kan worden ontleend aan een religieuze overtuiging, wordt de mens geconfronteerd met het absurde van het leven. Camus vindt echter dat het besef van het absurde niet moet leiden tot hopeloosheid (en soms zelfs zelfmoord) maar dat men het absurde moet aanvaarden en vanuit dit bewustzijn juist een wijs en gelukkig leven kan leiden.
Als voorbeeld gebruikt hij het verhaal van Sisyphus, die de toorn van de goden had opgewekt en veroordeeld was om eeuwig een rots een berg op te duwen om vervolgens te moeten toezien hoe die rots weer naar beneden rolt. Camus ziet deze oneindige en nutteloze arbeid als het summum van absurditeit, maar stelt zich voor dat Sisyphus rustig de berg afwandelt en de volgende dag weer opgewekt aan zijn zware, nutteloze arbeid begint. Op zijn manier is hij een gelukkige, zij het absurde held.

Albert Camus

De dagelijkse training van een danser bestaat uit veel vaak herhaalde oefeningen en bewegingscombinaties. Ik heb wel eens het gevoel gehad dat deze routine veel weg had van Sisyphus arbeid. Maar er is een groot verschil: de training heeft een doel: het in vorm houden van het bewegingsapparaat en het op peil houden of zelfs verbeteren van de (een) danstechniek.

B

Bij deze letter dacht ik meteen aan battement. Deze term betekent: ‘slaan(d)’ en wordt in het academisch ballet gebruikt om krachtige bewegingen van het been aan te duiden. Er zijn verschillende vormen van battement, variërend van kleine bewegingen van het onderbeen, waarbij de voet van het ene been beweegt rond de enkel van het andere been (battement sur le coup de pied), tot een grote beweging, waarbij één been gestrekt hoog wordt opgegooid (grand battement). En dan is er nog de ‘grand battement en cloch’ (groot slaan als een klok), waarbij het been hoog naar voren wordt opgegooid en vervolgens via de vloer naar achter en weer terug.

Slaan als een klok doet denken aan tijd. En ik had voor deze dansterm gekozen omdat ik van tevoren al wist over welke filosoof het moest gaan: Bergson, een filosoof die zich diepgaand met de tijd heeft bezig gehouden.

 

Bergson
Henri Bergson (1859 - 1941) was een Frans filosoof en winnaar van de Nobelprijs voor literatuur.
Bergson gaat er (in navolging van Kant) van uit dat de mens de werkelijkheid begrijpt met behulp van de begrippen ruimte en tijd. In zijn boek ‘De scheppende evolutie ’ (1907) maakt hij een onderscheid tussen de meetbare tijd, de kloktijd (le temps) en de innerlijke tijd van de intuïtie en de beleving (la dureé). Uiteraard is de kloktijd in het dagelijks leven belangrijk, omdat we er allerlei regels en afspraken aan kunnen verbinden. Maar de beleving van tijd is eveneens belangrijk. Als je plezier hebt op een feestje kan de tijd voorbij vliegen, terwijl de minuten die je moet wachten op een trein zich voor je gevoel traag voortslepen. Dan duurt het wachten lang.

 

Dans kenmerkt zich door het gelijktijdig scheppen van ruimtelijke, temporele en dynamische illusies, waarbij die dimensies geen objectieve gegevens zijn, maar door de danser(s) worden gevormd en gestructureerd. Suzanne Langer (1953) spreekt over ‘virtuele krachten’, die ontstaan door lichaamslijnen en –spanningen van de dansers in relatie tot elkaar of tot de ruimte. Wanneer je bijvoorbeeld een aantal foto’s neemt van iemand die een cirkel danst, dan zie je die persoon steeds op een ander punt in de ruimte. Maar danser én toeschouwer ervaren geen opeenvolging van afzonderlijke posities, maar uitsluitend de cirkelbeweging.
In zekere zin geldt dit ook voor het element ‘tijd’. Wanneer een danser een beweging vertraagt of versnelt, wordt de illusie geschapen dat de tijd wordt uitgerekt of versneld.
De dansbeweging is dus enerzijds concreet waarneembaar, anderzijds roept ze een virtuele wereld op.

De Nederlandse filosofe Joke Hermsen onderscheidt in ‘Kairos, een nieuwe bevlogenheid ’ (2014) nog een andere wijze van tijdsbeleving, die door de Griekse god Kairos wordt gesymboliseerd. Hij is de god van ‘het geschikte moment’, de uitgelezen kans om een doel te bereiken.
Kairos staat op afbeeldingen met een kaal hoofd, afgezien van een haarlok op zijn voorhoofd. Je kunt hem van voren vastgrijpen, maar van achteren lukt dat niet.

Kairos heeft in zekere zin wel iets te maken met het kijken naar een dansvoorstelling: iedere beweging kun je ‘vastpakken’ op het moment dat het wordt getoond, maar daarna is het voorbij en komt er weer een nieuwe beweging. Daarom wordt dans ook wel een ‘vluchtige’ kunstvorm genoemd.

 

A

Deze letter is niet moeilijk. Bij de A denk ik meteen aan een Arabesk, één van mijn favoriete poses in het klassiek ballet. Het is een houding waarin de danser op één gestrekt been staat en het tweede been achter zich eveneens gestrekt en uitgedraaid hoog optilt.

Zoals de naam al zegt is de term Arabesk afkomstig uit de Arabische cultuur en staat voor versieringen die worden aangebracht in gebouwen, zoals moskeeën, Het zijn repeterende figuren waarin veel spiralen, krullen en bloemmotieven worden gebruikt.

In het ballet werd de term oorspronkelijk gebruikt voor ineengestrengelde poses van groepen dansers waarbij attributen als slingers en hoepels werden gebruikt.
De huidige arabesk is een houding en kent verschillende variaties met betrekking tot richting en de positie van de armen en het bovenlichaam.

Terwijl ik bovenstaande feitjes over de Arabesk aan het opschrijven was wist ik ook meteen met welke filosoof ik een relatie kon leggen:

Aristoteles
Deze Griekse filosoof, die leefde van 384 v.Chr tot 322 v. Chr., is één van de belangrijkste grondleggers van de Westerse filosofie. En ook hier is een verband te leggen met de Arabische cultuur. Zijn werk werd namelijk al vrij snel in het Arabisch vertaald en had lange tijd meer invloed in de Arabische wereld dan in de westerse. Daar was er meer belangstelling voor Plato, omdat zijn filosofie beter aansloot bij Christelijke denkbeelden.
Pas toen de Arabische denker Averroës in de 12de eeuw zijn werken had vertaald in het latijn kwam er ook in het westen belangstelling voor het werk van Aristoteles. Zo was Thomas van Aquino van mening dat hij met behulp van de theorie van Aristoteles het bestaan van God kon aantonen.

En nu weer een bruggetje naar de dans:
Voor het westerse theater is Aristoteles vooral van belang omdat hij de basis heeft gelegd voor de dramaturgie. In zijn werk Poëtica beschrijft hij waar een theatermaker zich aan moet houden om o.a. emoties op te wekken bij de toeschouwer.
Niet alleen in de theaterwereld, maar ook in de danswereld wordt tegenwoordig aandacht besteed aan de dramaturgie. Dansdramaturgie kent vele invullingen, visies en methodes.
Liesbeth Wildschut geeft in haar artikel ‘Reinforcement for the Choreographer: The Dance Dramaturge as Ally ’ (2009) een overzicht van mogelijke invullingen, waaronder: het reflecteren op ideeën van de choreograaf en het gecreëerde materiaal, de rol spelen van eerste kritische toeschouwer en fungeren als link tussen het dansgezelschap en de buitenwereld. Zij tekent daar bij aan dat de dansdramaturg in staat moet zijn dans te analyseren op verschillende niveaus, zoals beweging van de dansers, relaties tussen dans en andere tekensystemen en de structuur van een choreografie.